Marinus Oostenbrink Adviezen Stedenbouw Architectuur JANUARI 2016

De kwantiteit van de kwaliteit

ZUIDERKERKPRIJS REVISITED / ZUIDERKERKPRIJZEN IN RETROSPEKTIEF /
VIJFTIEN JAAR AMSTERDAMS KWALITEITSBELEID  / PRIJS DE KWALITEIT /

DE KWANTITEIT VAN DE KWALITEIT (naar Aldo van Eijck)

Vele tientallen jaren was de Zuiderkerk in  de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt, hét gemeentelijk informatiecentrum voor alles wat er op het gebied van volkshuisvesting, woningbouw en ruimtelijke ordening te gebeuren stond. Ruwweg gaat het hierbij om een periode van zo’n 35 jaar, van 1975 tot 2010. Aanvankelijk een werkplaats  voor de stadsvernieuwing (Ruimtelijk Ontwikkelings Laboratorium R.O.L.), waar woningmodellen op ware grootte werden onderworpen aan het strenge inspraak-oordeel van toekomstige bewoners. Jaren later ongevormd tot een gemeentelijk verkooppunt waar alle betrokken corporaties, ontwikkelaars en makelaars hun nieuw ontwikkelde koopwoningen aan het toestromende publiek konden slijten. In de laatste vijf  jaren ontwikkelde de Zuiderkerk zich tot een breder informatiecentrum voor een breed scala van ruimtelijke plannen.

De jaarlijkse “planpresentaties” in de Zuiderkerk groeiden uit tot bestuurlijke en professionele netwerk-hoogtepunten, waar zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve woningproductie centraal stond, inclusief debat, maaltijd, borrel en afterparty. Het nomineren van “voorbeeldplannen” en het toekennen van “zuiderkerkprijzen” (op voorstel van toenmalig corporatiedirecteur Frank Bijdendijk) maakten daarbij deel uit van het streven om de amsterdamse woningkwaliteit centraal te stellen, als motor voor ambitieus en bewust opdrachtgeverschap bij alle publieke en private partijen.
Tegen deze achtergrond wordt nu, na 15 jaar teruggeblikt op de resultaten van 15 toegekende zuiderkerkprijzen. Daarbij staan de volgende vragen centraal: zijn de bekroonde woonprojecten nog steeds “voorbeeldig” en zijn deze nog steeds “representatief” voor het amsterdamse streven naar een excellente woningkwaliteit over de volle breedte van de woningproductie? Bij de beoordeling daarvan werden door de vele deskundige jury’s vaak verschillende, deel (inter)subjectieve criteria gehanteerd.  Daarbij speelde en speelt de toenemende invloed van uiteenlopende marktpartijen, vaak vertegenwoordigd in de jury’s, een groeiende rol. Deze invloed heeft niet alleen betrekking op zeggenschap over investeringen, maar ook visie op en zeggenschap over afzetbare en gewenste woningkwaliteiten. Samenvattend kan gesteld worden dat sinds de liberalisering van de woningmarkt in de 90er jaren van de 20e eeuw ook de opvattingen, visies, definities van consument-gerichte woningkwaliteit verregaand zijn bevrijd.
Daarom heeft een kleine “peergroup” van drie oudgediende deskundigen met frisse ogen teruggeblikt. Centraal daarbij stond de vraag in hoeverre het eerdere kwaliteitsoordeel van de jury (inclusief de daaraan verbonden Zuiderkerkprijs) 10 tot 15 jaar later nog steeds (h)erkend of onderschreven wordt en dus in stand kan blijven. De karakterverandering van de prijs kan daarbij niet onvermeld blijven. Want tot en met 2004 werden nog niet gebouwde “papieren”plannen genomineerd en bekroond. Daarmee is de prijstoekenning aan twee niet uitgevoerde plannen (2000: Oeverpad en 2001: Uylenburg) op zijn minst discutabel te noemen. Daarnaast hebben in de afgelopen jaren ook vele wel gerealiseerde plannen van hoge kwaliteit noch een nominatie noch een prijs gehaald. Hoewel dit inherent is aan de gevolgde werkwijze met voorselectie en jurering, heeft de “peergroup” afgezien van de uitdaging om alsnog een lijst op te stellen van vergeten of hoogwaardige plannen, die de eindstreep niet hebben gehaald.
Daarnaast had de “peergroup” in haar beschouwingen graag de prijsniveau’s van stichtingskosten, bouwkosten, grondkosten en vrij-op-naam-prijzen willen betrekken. Helaas was dit niet haalbaar, deels door ontbrekende, goed vergelijkbare gegevens, deels door de beperkte tijd en vraagstelling die gegevens was. Hier ligt dus nog een belangrijke opgave voor breed, wetenschappelijk onderzoek,  dat meer licht kan werpen op de sociaal-economische, maatschappelijke en culturele betekenis van zowel woniongkwaliteit als als stedenbouwkundige en architectonische context, in hun nauw verbonden samenhang en vervlechting.
Binnen en ondanks al deze beperkingen worden de soms verrassende conclusies hieronder zo breed en genuanceerd mogelijk  geformuleerd. Daarbij worden intrinsieke woningkwaliteiten altijd verbonden met de contextuele kenmerken van stedelijk weefsel en architectuur.  Daarmee worden de inzichten van nu verbonden met de jury-oordelen van toen.    

KWALITEIT ALS TRADITIE EN AMBITIE

De relatief jonge “zuiderkerkprijs” voor amsterdamse woningprojecten staat in een veel langere, sterk politiek bewuste kwaliteitstraditie. Daaraan liggen zowel een verlichte volkshuisvesting ten grondslag als een krachtig gestuurd  planologisch beleid. Een groot deel van de “kritische massa” in de stad Amsterdam bestaat inmiddels uit monumentale architectuurensembles, ruimtelijke systemen en beschermde woningcomplexen. Deze zijn niet alleen  bepalend voor de stedelijke beeldvorming en attractiviteit, maar ook wezenlijk voor de subjectieve belevingswaarde van bewoners en het daarmee samenhangende, geobjectiveerde welstandsbeleid. Maar daarnaast heeft de grote bouw- en woningproductie van de afgelopen 15 tot 25 jaar een onmiskenbare invloed op de transformatie van beeld en belevingswaarde van de stad als geheel.

PRIJS ALS IJKMOMENT

Tegen deze achtergrond kan de (vijftien)jarige Zuiderkerkprijs gezien worden als een jaarlijks ijk- en p.r.-moment voor het stedelijke kwaliteitsbewustzijn van de totale bouwkolom, met vooral opdrachtgevers, bestuurders, architecten, deskundigen en soms bewoners. De daarbij behorende getallen spreken een duidelijke taal: bij een productie van 70.000 woningen in 20 jaar is sprake van een jaargemiddelde van 3.500 woningen, met jaarlijks 70 (nieuwbouw)projecten en een gemiddelde projectomvang van 50 woningen. Deze enorme kwantiteit dwingt tot een permanente kwaliteitsbezinning op alle daarmee verbonden criteria en aspecten. Niet alleen van meetbare en calculeerbare grootheden als programma, differentiatie, prijsniveau, afzetbaarheid. Maar ook van minder meetbare criteria als woonvorm, woonomgeving, stedenbouwkundige context, architectuur, aanpasbaarheid, duurzaamheid,  bouwtechniek. Immers: de veelzijdige stad is en wordt gebouwd voor mensen en voor behoeften, die aan voortdurende, maatschappelijke, persoonlijke, sociale en culturele veranderingen onderhevig zijn. 

KWALITEIT ALS CONTAINER

Het is dan ook niet toevallig dat de genomineerde en prijswinnende projecten van de afgelopen 15 jaar allemaal in het teken stonden en staan van de hierboven genoemde kwaliteiten. De vele hierbij betrokken juryleden zijn gewetensvol en genuanceerd aan het werk geweest, door steeds langs twee sporen tot een afgewogen oordeel te komen. Het eerste spoor betrof vrijwel altijd de klassieke woningkwaliteiten als aanpasbaarheid, flexibiliteit, bruikbaarheid, geluidsisolatie, toekomstwaarde, efficiency, afzetbaarheid, zij het in wisselende verhoudingen. Het tweede spoor betrof jaarlijks wisselende aspecten en kwaliteiten, zoals de inzet en betrokkenheid van bewoners, de stedelijke inpassing, de complexiteit van het programma, het publieke belang en grensverleggende karakter, de bijdrage aan de stad en de openbare ruimte, het “icoon-karakter”. Hoewel veel betrokken deskundigen al deze kwaliteiten zien als aspecten van zowel stedenbouw als architectuur,  valt het op dat heldere en scherpe definities van deze “containerbegrippen” vaak ontbreken. Het gevolg en wellicht de oorzaak daarvan is dat elke Zuiderkerkprijs jaarlijks toch het resultaat is van een inter-subjectief oordeel, gebaseerd op gedeelde waarderingen van een relatief kleine groep.

KWALITEIT EN TOEKOMST

Daarom is een terugblik zinvol, omdat hiermee antwoord kan worden gegeven op de meest prangende en actuele vraag. Namelijk: heeft het nomineren en bekronen van 15 jaar Zuiderkerkprijzen als “voorbeeldige projecten” ook een blijvende en structurele invloed op de kwaliteit van de grote woningproductie van de laatste tientallen jaren. Uit de beschikbare meetbare projectkenmerken van de afgelopen 15 jaar is dit nauwelijks vast te stellen. Het aantal woningen en projecten nam weliswaar gestaag toe (van 3845 eenheden in 1999 tot 7000 in 2009) maar de gemiddelde woninggrootte daalde (van 110 m2 naar 80 m2). Ook het aandeel eengezinswoningen daalde (van 23 % in 1999 naar 10 %), terwijl het aantal aanpasbare woningplattegronden aanzienlijk gestegen is (tot 55 % in 2007). Om deze veranderde kenmerken te kunnen benoemen als positieve of negatieve kwaliteiten, moeten ze afgezet worden tegen de veranderingen in de (al dan niet koopkrachtige) woningvraag en de (uitgesorteerde) bevolkingssamenstelling, niet alleen per stadsdeel, maar ook voor de stad als geheel. Een hachelijke onderneming, omdat daarbij de waardering, leefbaarheid en betaalbaarheid van woonmilieu’s (binnen en buiten de ring) een even grote rol spelen als de spreiding dan wel uitsortering van bevolkingsgroepen.  Daarom wordt hieronder een aantal kenmerkende thema’s aan de orde gesteld die voor alle winnende zuiderkerk-projecten van belang waren en dat nog steeds zijn met het oog op de actuele en toekomstige woningproductie van Amsterdam. Daarbij is gekozen voor zes wezenlijke kwaliteiten, die op verschillende manieren in de daarbij genoemde projecten aanwezig zijn. In de zevende categorie (VOORBEELDIG) worden twee projecten aangewezen die vrijwel alle kwaliteitskenmerken in zich verenigen.

OOG VOOR CONTEXT

Geen enkel nieuw bouwproject kan zich onttrekken aan de krachtige invloed van het eeuwenoude cultuurlandschap, waarin elke hollandse stad is ingebed. De ruimtelijke vertaling daarvan in de hedendaagse context is uiteraard zeer verschillend. De historische stad binnen de ring is van een andere orde dan de (post)modernistische transformatie van de westelijke tuinsteden. Terwijl de 21e eeuwse archipel van IJburg veel verwantschantschap heeft met de werk- en wooneilanden van het Oostelijk Havengebied. Een scherp oog voor deze contextuele kenmerken is essentieel voor programma, concept, stedenbouw en architectuur.
Tegen deze achtergrond zijn 3 van de 15 bekroonde zuiderkerkprojecten sterk onderscheidend.
De “buurtfabriek” (2007 Stadgenoot/Marlies Rohmer) in voormalig Oud West geeft een overtuigende, contextuele interpretatie van de onderliggende historische, semi-industriële polderstructuur, door middel van een vanzelfsprekende, bijna terloopse compositie van kleinschalige woon-werkvolumes.
Het project “Kleine U-2” ( 1998 Dageraad/Ton Venhoeven) in Geuzenveld/Nieuw West, is in alle opzichten een gedurfde en meeslepende interpretatie van het modernistische adagium “licht-lucht-ruimte” in de vorm van een licht, zwevend en bijna immateriëel  lichaam, waaraan geen baksteen te pas komt. Daarbij is het geraffineerd gesitueerd in een open verkaveling, met geheel nieuwe identiteit, die naadloos past in een transformatief “supermodernisme”.
“De Keyzer” (2011 De Key/Tom Frantzen) in de Czaar Peterbuurt/ Oostelijke Binnenstad, is een sterke en innovatieve interpretatie van  de kenmerkende negentiende eeuwse context, door middel van een relatief grootschalig object, dat een emphatische “boost” geeft aan een kleinschalige en schrale omgeving. 
     
BELANG VAN PLINT

De worteling van het gebouw in de ondergrond van het maaiveld is wezenlijk voor de verbinding en integratie van gebouw en architectuur met het publieke domein en de openbare ruimte. Daarbij gaat het primair om (publiek) programma en (ervaarbare) toegankelijkheid. Alleen wanneer dat op een begrijpelijke, zichtbare en functionerende manier wordt ontwikkeld en ontworpen kan er sprake zijn van een werkelijke aanhechting en vervlechting met buurt en stad. Perfecte en daadwerkelijke oplossingen zijn zeldzaam.
de “Noordkop” Spaarndammerbuurt (2007 De Principaal/Marlies Rohmer) slaagt er voorbeeldig in de begane-grond-plint op een vanzelfsprekende, overtuigende en functionele manier vorm te geven, met grote en kleine publieksfuncties (AH en Coffeeshop). De vormgeving zelf daarvan is minimaal maar effectief. De goed benutte hoekligging draagt sterk bij aan dit succes.
“BLOK 23b2” op Haveneiland IJburg (2002-2006 VMX/ Johan Matser Ontwikkeling) maakt deel uit van sterk gemengd “semi-closed condominium” met een royaal gedimensioneerde binnentuin. De verhoogd gelegen stadshuizen zijn door een  aantrekkelijke “tribune-stoep” weldadig vervlochten met het openbare straatprofiel. De auto-lift naar parkeerplekken op elke etage van de hoogbouw-appartementen is eveneens een visionaire uitwerking van de plint, als medium tussen publiek en privaat domein.
Het project “Kleine U-2”  (1998 Dageraad/Ton Venhoeven) oogt als een solitair ruimtelijk object, maar zodanig vormgegeven dat de begane grond met supermarkt en overbouwing een vanzelfsprekende voortzetting vormt van de openbare ruimte. Daardoor wordt de ruimtelijke continuïteit van de stedenbouwkundige context op een logische en herkenbare manier voortgezet in de vloeiende aluminium-glas-architectuur. Zelfs het banale beeldmerk van de supermarkt met bijbehorende winkelwagentjes gaat een goede verbinding aan met de verfijnde vleugelprofielen van de kolommen.

EXPRESSIE ARCHITECTUUR

Amsterdam is een stad van stedenbouwkundige ensembles en architectonische eenheden. De historische grachtengordel, Plan Zuid, de negentiende-eeuwse ring zijn daarvan de meest aansprekende voorbeelden. De kenmerken, principes en typeringen daarvan zijn op verschillende manieren  vastgelegd als vormen van welstands- en architectuurbeleid (“De Schoonheid van Amsterdam”)  en werken ook door in de “beeldkwaliteitsplannen” van de vele, meer en minder recente  nieuwe ontwikkelingsgebieden, zoals De Aker, Nieuw Sloten, Oostelijk Haven Gebied, IJ-oevers, IJburg, Zuid-As. De bewaking daarvan door supervisoren legt een zekere, maar uitdagende beperking op aan ontwikkelaars, opdrachtgevers en architecten. Waarschijnlijk is dat de reden dat de stilistische staalkaart van modieuze architectuurtypes in Amsterdam minder opvallend is dan elders in Nederland. Het aantal in Amsterdam aanwijsbare architectuurstromingen is daarom aanzienlijk lager dan beschreven in het recent verschenen (25e) jaarboek 2011/12 “Architectuur in Nederland”. Het gevolg daarvan is een minder spectaculaire architectuur, die in zekere zin bescheiden en onderworpen is aan contextuele condities van stedenbouwkundige beeldkwaliteit-supervisie. Dat is niet alleen afleesbaar aan terughoudende materiaal-kleur-keuzes, maar ook aan meer beheerste en begrenste vorm-experimenten. De betekenis van de architectuur- expressie ligt daardoor in Amsterdam eerder bij het raffinement en de verfijnde interpretatie dan in de “spektakel-architectuur” van de overdrive en schaalsprong. Uiteraard uitzonderingen daargelaten.   
Borneo Driehoek (2005 De Alliantie/Zeinstra van der Pol)
Het Kasteel (2008 Heddes Vastgoed/HVDN architecten)
Kleine U-2 (1998 De Dageraad/Ton Venhoeven)
 
COMPLEXITEIT PROGRAMMA

De gewenste veelzijdigheid van programmatische functies is al jarenlang een hot item bij de ontwikkeling van stedelijke projecten. De achterliggende gedachte is dat het stedelijk ideaal van de menging en integratie van functies, doelgroepen en leefstijlen ook op het niveau van bouwblok en bouwproject aanwezig zou moten zijn. Afhankelijk van positionering, ligging en stadsdeel is hiermee ook het politieke ideaal van de “ongedeelde stad” aan de orde, evenals de ongewenste maar reëel bestaande keerzijde daarvan in vorm van segregatie, heterogeniteit, uitsortering en “standenmaatschappij”. Bepalend bij de programmatische keuzes hierbij is vooral de houding en inzet van ontwikkelaar, corporatie en investeerder. Afhankelijk  daarvan zijn uiteenlopende ontwikkelingsvisies denkbaar met verschillende risico-profielen. Deze kunnen variëren van bewoners-inzet en (collectief) particulier opdrachtgeverschap tot flexibiliteit in de exploitatie-visie, duurzaamheid en vormen van ruimtelijke aanpasbaarheid. Een baanbrekende rol is daarbij gespeeld door Frank Bijdendijk,  als verlicht en spraakmakend directeur van Het Oosten resp Stadgenoot en ontwikkelaar van het Solid-Concept, dat helaas nog niet echt overtuigend is aangeslagen. De onmiskenbare invloed daarvan is niettemin (maar niet altijd even zichtbaar) aanwezig in een beperkt aantal prijswinnende Zuiderkerk-projecten.
Oeverpad  (2000 Eigen Haard/Duinker van de Torre/niet gebouwd)
Albatros (2003 De Key/HvdN architecten)

WOONVORM EN WONING

Het middeleeuwse houten dorpshuis heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld tot het versteende, dubbele grachtenpand als stedelijk palazzo, met gestapelde appartementen. Op dezelfde wijze hangt de ontwikkeling van het klassieke eengezinshuis samen met het ontstaan en de “afsplitsing” van de portiek-etagewoning. Allemaal loten van eenzelfde stam, maar uit elkaar gegroeid onder invloed van het functionalistische modernisme, dat bepalend is geweest voor de grote vlucht van de volkshuisvesting in de 20e eeuw. In de afgelopen 15 tot 25 jaar zijn steeds meer hybride mengvormen ontstaan, waardoor de uitsplitsing van grondgebonden en gestapelde woonvormen steeds minder evident geworden is. Talloze varianten van grondgebonden en grond-ontsloten beneden- en bovenwoningen zagen het licht, in geoptimaliseerde varianten van zowel stedelijke eengezinshuizen als van portiek-lift-casco’s. Bekende voorbeelden daarvan zijn te vinden in west op het GWL-terrein, maar ook op Borneo-Sporenburg in het Oostelijk Haven Gebied.  Daarnaast vinden er steeds meer onbekommerde combinaties plaats van grondgebonden laagbouw en gestapelde hoogbouw, binnen één bouwblokconcept, met name op IJburg. Dit alles gericht op een zo groot mogelijk, marktgericht aanbod voor uiteenlopende doelgroepen en huishoudenstypen. In dit brede palet is krijgt vooral de aanpasbare, levensloopbestendige, duurzame woning steeds meer aandacht als kansrijke woontypologie voor een onbekende toekomst. Daarbij gaat het om een royaal gedimensioneerd, maar neutraal en verschillend indeelbaar casco, dat op eenvoudige manier door verschillende huishoudens aangepast en bewoond kan worden, bij voorkeur in combinatie met werken aan huis. Kortom: een “universeel” en bouwtechnisch hoogwaardig wooncasco.
Oeverpad (2000 Eigen Haard/Duinker van der Torre/niet gebouwd)
Het Kasteel (2008 Heddes Vastgoed/HvdN architecten)
BLOK2-32b IJburg (2002-2006 Johan Matser Ontwikkeling/VMX)
Kleine U-2 (1998 De Dageraad/Ton Venhoeven)
  
IKOON KARAKTER

Kunsthistorisch en deftig gedefinieerd is een “ikoon” bij uitstek de gestileerde voorstelling van een traditioneel, religieus beeld. In de architectuur-debat is er al snel sprake van een verengde, meer beperkte omschrijving, als een “markant, authentiek gebouw”, herkenbaar en representatief voor een tijdperk.  Zo wordt in het meest recente Jaarboek Architectuur Nederland 2011/2012 de Kunsthal van OMA in Rotterdam unaniem als Nederlands Ikoon van de afgelopen 25 jaar gezien, door niet de minste, zes vakkundige redacteuren uit de periode 1988 tot en met 2005.
Als wij de historische amsterdamse ikonen  (Paleis Dam, Rijksmuseum, Beurs van Berlage) buiten beschouwing laten, dan heeft Amsterdam in de afgelopen 15 tot 25 jaar op zijn minst twee nieuwe (culturele) ikonen voortgebracht. Te weten: het zelfbewuste en overrompelende IJ-Muziekgebouw en het EYE-filmmuseum, beide als culturele ankers en niet geheel toevallig, gelegen aan het  grote water van het Y, als het Nieuwe Canal Grande van Amsterdam.
Een architectonisch ikoon stijgt eerder figuurlijk dan letterlijk uit boven de reguliere bouwproductie en onderscheidt zich daarvan opvallend, zowel programmatisch-functioneel als  architectonisch-morfologisch. Het zoeken naar nieuwe ikonen in de recente woningproductie is echter een stuk lastiger. Zelfs de historische monumenten van de volkshuisvesting (Van der Pek, Berlage, Merkelbach, Van Eijck) zijn relatief bescheiden en bijna ondergeschikt aan de stedenbouwkundige context waarvan deze deel uitmaken.
Hetzelfde kan gesteld worden van vrijwel alle woningbouwprojecten van de afgelopen 15 tot 25 jaar, al dan niet genomineerd voor of bekroond met een Zuiderkerkprijs. Bijna altijd maken deze deel uit van een ouder of nieuwer ruimtelijk systeem of ensemble op hoger schaalniveau, zoals evident is voor de negentiende eeuwse ring, de westelijke tuinsteden, het OHG en IJburg. Concept, programma en ontwerp zijn veelal onderworpen aan gangbare typologiëen en gebaseerd op traditie, context en supervisie. Onbezonnen “spektakel-architectuur” wordt daarmee in de kiem gesmoord. Slechts in uitzonderlijke gevallen verheft een project zich daarboven, door een verfijnde, innovatieve ontwikkeling en interpretatie van programma, vorm, expressie en materialisatie daarvan.  In die zin, zijn slechts twee ikonen aanwijsbaar, als “markant en authentiek” binnen de Zuiderkerkprijswinnaars van de afgelopen 15 jaar. Het project “Het Kasteel” in Oost/Watergraafsmeer geeft een sterke en herkenbare identiteit aan een nieuw woondomein in de rafelrand van de stad. Het project “U2-kleine U” aan de rand van Geuzenveld West ademt een verrassende, eigentijdse  en authentieke interpretatie van het modernistisch adagium “licht, lucht en ruimte”, dat veel dieper gaat dan een versteende verdichtingsstrategie.     

VOORBEELDIG ?

Uit bovenstaande thematische benaderingen en onderstaand overzicht blijkt dat de hooggewaardeerde topkwaliteiten slechts  zeer gespreid in de prijswinnende projecten voorkomen, en nooit allemaal tegelijk en gelijkwaardig.

1.CONTEXT 2.PLINT 3.EXPRESSIE 4.PROGRAMMA 5.WOONVORM 6.IKOON TOTAAL

Buurtfabriek I  I _ I  _  _ III
Kleine U-2 I  I _ _  I  I IIII
Keyzer  I  _ I _  _  _ II
Noordkop _  I _ _  _  _ I
23b2 Yburg _  I _ _  I  _ II
Borneo3hoek _  _ I _  _  _ I
Kasteel  _  I _ I  I  I IIII
Oeverpad _  _ _ I  I  _ II
Albatros  -  - _ I  _  _ I

TOTAAL III  IIIII II IIII  IIII  II  20  

In geen van deze (9) bekroonde zuiderkerkprijs zijn, naar het oordeel van de “peergroup” ALLE (6) geoormerkte en gewenste topkwaliteiten tegelijk aanwezig. Elk project vertegenwoordigt weliswaar één of meer van deze kenmerkende kwaliteiten, maar deze zijn zeer gespreid en wisselend aanwijsbaar. Opvallend is dat de thema’s PLINT, PROGRAMMA en WOONVORM het hoogste scoren door de hele reeks van projecten heen. Dat betekent dat deze kwaliteiten in veel gevallen aantoonbaar aanwezig zijn, en dus veel aandacht bij veel opdrachtgevers en architecten krijgen. Dat is een mooi resultaat, omdat daarmee geïillustreerd wordt dat dit (terecht) kernkwaliteiten voor de meeste projecten zijn.
Slechts in twee projecten wordt aanwijsbaar beschikt over vier van alle zes thematische issues, te weten “Kleine U-2” In Geuzenveld en “Het Kasteel” in de Watergraafsmeer. Terwijl een prijswaardig topproject toch eigenlijk op alle zes thema’s hoog en compleet zou moeten kunnen scoren. Daarbij kan bedacht worden dat het oordeel van de jaarlijkse jury’s kennelijk en wellicht onder invloed van het jaarlijks wisselende planaanbod  afwijkt van het latere oordeel 10 tot 15 jaar later. Immers: de “peergroup” kijkt terug met de kennis en stand van zaken van NU, vanuit een steeds groeiende omvang van de nieuwbouwproductie over een langere periode.

KONKLUSIES EN ADVIEZEN

- Een bekroond Zuiderkerkplan is  een “voorbeeldig” plan binnen de jaarlijkse en dateerbare context van tijd en stad.

- Een bekroond en voorbeeldig woningplan voldoet in het jaar van prijstoekenning, bij voorkeur aan 100 % dwz aan 6 van 6 thematische kwaliteitscriteria. 

- Een bekroond plan voldoet bij herwaardering na 10 jaar  aan tenminste 4 van 6 dwz meer dan 50 % van zes thematische kwaliteitscriteria.

- Een bekroond woningplan kan ook voorbeeldig zijn, wanneer slechts één van zes kwaliteitsaspecten op hoogwaardige wijze in het project herkenbaar aanwezig is.

- Elk al dan niet bekroond woningproject maakt deel uit van een specifieke, stedelijke jaarproductie, waarin verschillende en wisselende zwaartepunten aanwezig zijn, onder invloed van wisselende sociaal-maatschappelijke-economische condities.

- Elk  genomineerd, prijzenswaardig, al dan niet bekroond woningproject maakt deel uit van een blijvend discours over de meest wezenlijke definities van woningkwaliteit in de meest brede zin.

- Het verdient aanbeveling om het kwaliteitsdebat breed te (blijven) voeren, zowel landelijk als stedelijk, bij voorkeur aan de hand van het integrale planaanbod in geheel Nederland.  

- Het verdient aanbeveling om een breed onderzoek te doen naar de kwaliteits-aspecten van alle hoogwaardige amsterdamse en bij voorkeur ook nederlandse woningprojecten van de afgelopen 15 tot 25 jaar, inclusief alle  daarmee verbonden stichtings-bouw-grond- en von-kosten. Dit is met name van belang om daarmee een beter beeld te definiëren van alle maatschappelijke, culturele en economische invloeden die bepalend zijn voor woningmarkt en woningkwaliteiten.