Marinus Oostenbrink Adviezen Stedenbouw Architectuur JANUARI 2016

De leesbare stad

WELSTANDSZORG ALS HISTORISCH GEWETEN

Elke stad is de spiegel van haar historische ontwikkeling. Ook In Amsterdam ligt de geschiedenis op straat. Aan de ruimtelijke structuur en de architectuur van buurten zijn karakter en betekenis afleesbaar en  is gemakkelijk te zien in welke periode ze zijn ontstaan. Het welstandsbeleid richt zich op het zien, ontzien, respecteren en waarborgen van dergelijke historische samenhangen of ‘ruimtelijke systemen’. Het beschrijven en vastleggen daarvan is van grote betekenis als bron van kennis, waardering en beleid. In 1995 verscheen de eerste editie van De Schoonheid van Amsterdam. De daarin onderscheiden ruimtelijke systemen legden de grondslag voor een geobjectiveerd welstandsbeleid – en daarmee voor een hele generatie van latere welstandsnota’s.
[einde lead]

‘Welstandsbeleid als architectuur in de tijd’: met deze filosofische hersenkraker opende het voorwoord van de eerste versie van De Schoonheid van Amsterdam (1995). ‘Door de ogen van de Schoonheidscommissie kijkt de stad naar zichzelf, naar haar architectuur en naar de context van de samenstellende delen.’ Daarbij passeren verschillende observaties en interpretaties de revue. Zoals die van de historicus Donald Olsen, die in zijn boek De stad als kunstwerk spreekt van de stad ‘als een leesbaar document, als een historische roman, als belichaming van geschiedenis’ . Of de typering van de stad door de antropoloog Levi Strauss als ‘la chose humaine par excellence’.
Deze eerste welstandsnota benadert Amsterdam als een complex, maar leesbaar en begrijpelijk visueel document. De stad wordt gelezen als een momentopname tussen verleden en toekomst. Gegroeid van introverte handelsvestiging tot uitgedijde lobbenstad, vertoont Amsterdam de sporen van elk tijdperk. Deze ‘stedelijke feiten’ zijn gegroepeerd binnen ruimtelijke systemen met uiteenlopende kenmerken. De stad ontwikkelt zich als een mozaïek van fragmenten, elk met een eigen consistentie. Binnen de hiërarchie van de openbare ruimte bewaakt het welstandsbeleid de juiste vorm en positie van de architectonische feiten in de tijd. ‘Daarom is het welstandsbeleid een feitelijk architectuurbeleid,’ aldus de nota. Met deze radicale stellingname kwam de commissie tegemoet aan de politieke ambitie om tot een hoger ruimtelijk kwaliteitsniveau te komen.

OMSTREDEN BOUWPROJECTEN

De Schoonheid van Amsterdam als opmaat voor een vernieuwd welstandsbeleid werd voorafgegaan door een stevig maatschappelijk debat over de ruimtelijke kwaliteit van Amsterdam. In de periode van 1988 tot 1992 verscheen een reeks van kritische standpunten, pamfletten en nota’s over tekortkomingen in het welstandsbeleid. Deze kritiek stoelde vooral op een groot aantal omstreden bouwprojecten. Niet alleen de raden voor de stadsontwikkeling (ARS), voor de monumentenzorg (ARM) en de Kunstraad, maar ook raadsfracties (VVD en D66) publiceerden eigen nota’s met visies en suggesties. De welstandscommissie zelf lag ook onder vuur: haar adviezen werden vaak niet begrepen, terwijl duidelijke stedenbouwkundige toetsingskaders ontbraken. Regelmatig verleenden de bestuurders bouwvergunningen ondanks negatieve welstandsadviezen.
Nauw hiermee verbonden was de landelijke discussie over de nieuwe Woningwet met voorstellen voor deregulering en beperking van het welstandstoezicht. Het verzet daartegen kwam voort uit een groeiend onbehagen over de dalende kwaliteit van de gebouwde omgeving. Binnen de gemeente Amsterdam werd gepleit voor een integralere werkwijze, met meer stimulerende aandacht voor de kwaliteit van het stadsbeeld. Er bleek een breed gedeelde behoefte te bestaan aan het in kaart brengen van de architectonische en stedenbouwkundige samenhangen in de stad.
Al het maatschappelijke en politieke tumult leidde in 1991 tot een doorbraak in de gemeenteraad. Besloten werd tot een beschrijving van alle relevante kwaliteitskenmerken van de stad, als kader voor een objectieve beoordeling en controleerbare toetsing. Dit besluit paste in de landelijke ontwikkeling. Niet alleen werd uiteindelijk toch gekozen voor het opnemen van een wettelijke basis voor het welstandstoezicht in de gewijzigde Woningwet van 1992, maar ook kregen gemeenten expliciet de opdracht inhoud te geven aan het welstandsbeleid.

TIJDMACHINE

Amsterdam als ononderbroken stedelijk gebied is op verschillende manieren te beleven. Elk deelgebied kent zijn eigen karakter. De waarneming van de tijd-dimensie wordt duidelijk bij de overgang van het ene gebied naar het andere. Dit historische ritme is ervaarbaar en wordt gewaardeerd: jonge en oude monumenten zijn er de expressie van. Essentieel is het onderliggende patroon dat het structurele kader vormt van de stad als dynamisch geheel, als ‘tijdmachine’ van opeenvolgende generaties.
Op deze ondergrond wordt de stad bedekt met ruimtelijke systemen waarbinnen het gebouwde en ongebouwde, inclusief de open(bare) ruimten, een definieerbare samenhang hebben. Aan elk ruimtelijk systeem ligt een herkenbare ordening ten grondslag. Die kan het resultaat zijn van een organisch groeiproces, zoals de lint- en dijkbebouwing langs paden en (water)wegen in Durgerdam of aan de Nieuwendijk. Maar de ordening kan ook resulteren uit een doordacht proces van rationele planning, ontwerp en productie, zoals in het geval van de Westelijke Tuinsteden of het Plan Zuid.
Duidelijke beelddragers binnen de ruimtelijke systemen kunnen benoemd worden als ‘actieve elementen’. Denk aan strategisch geplaatste architectuuriconen zoals de Wolkenkrabber in Plan Zuid. Het slopen daarvan zou een aantasting betekenen van een cruciaal element, dat de ziel is van het ruimtelijk systeem. Minder prominente beelddragers worden beschouwd als vervangbare ‘passieve elementen’, maar vormen toch een wezenlijk bestanddeel. Bij nieuwe ontwikkelingen vindt een manipulatie plaats, waarbij het evenwicht tussen passieve en actieve elementen het meest gevoelig en kwetsbaar is.
Een ruimtelijk systeem is dan ook geen statisch geheel. Ondanks ingeburgerde patronen bevindt de stad zich in een voortdurend transformatieproces: maatschappelijke veranderingen hebben hun weerslag, net als ontwikkelingen in stedenbouwkundige en architectonische visies.

VLIEGTOCHT BOVEN DE STAD

Architect Johan Nust, die als lid van de Schoonheidscommissie het begrip ‘ruimtelijk systeem’ in deze eerste welstandsnota inbracht, noemde een vliegtocht boven de stad als zijn belangrijkste inspiratiebron. Zeker is dat waarneming voorafgaat aan morfologische en morfogenetische stadsanalyse, zoals gepraktiseerd door historici, geografen en ontwerpers. Het duurzaamste onderdeel van de stad is haar plattegrond, maar in haar dimensies van ruimte, tijd en gebruik voltrekken zich grote veranderingen.
De eerste uitgave van De Schoonheid van Amsterdam maakte een onderscheid in vier ruimtelijke systemen en daarnaast in stedelijke scharnierpunten, gebieden in (verhevigde) ontwikkeling en geografische gebiedseenheden (zie kader). In de in 2009 geactualiseerde versie, De Schoonheid van Amsterdam Digitaal, de basisnota voor het huidige welstandsbeleid, onderscheidt men in totaal zestien ruimtelijke systemen. Binnen deze ruimtelijke systemen is sprake van een verfijnde indeling in gemiddeld 26 deelgebieden. Deze deelgebieden variëren van zeer kleine historische kernen, lintdorpen, dijkdorpen en fragmenten in stedelijk gebied, tot complete buurten en wijken of architectonische eenheden en ensembles. Deze honderden ‘subsystemen’ zijn een uiting van de ongelooflijke verscheidenheid van het stedelijk gebied, met een historisch en landschappelijk diep verankerde en herkenbare structuur.
Vanuit de leesbare stad als een fijnzinnig samengestelde bibliotheek van historische en eigentijdse kenmerken worden ook de projecties en concepten voor de toekomst ontwikkeld. Kwalitatief hoogwaardige woon- en werkmilieus in bestaand stedelijk gebied worden gekoesterd en beschermd door een standvastig en expliciet welstandsbeleid. Tegelijk vormen deze het startpunt voor nieuwe verbindingen met de structuur van de stadsregio als geheel. Op deze wijze is het welstandsbeleid ook het historisch geweten voor de stad van de toekomst.

HET PATROON VAN DE STAD

In de eerste versie van De Schoonheid van Amsterdam uit 1995 werden vier soorten ruimtelijke systemen onderscheiden: allereerst het brede verzamelbegrip ‘stedelijk ruimtelijk systeem’ en vervolgens de gesuperponeerde systemen, de kantoren- en bedrijfsterreinen en de perifere groengebieden. Daarnaast zijn enkele bijzondere categorieën onderscheiden, zoals scharnierpunten en geografische gebiedseenheden, die laten zien dat een sluitend ‘systeem van ruimtelijke systemen’ eigenlijk onbegonnen werk is. Ruimtelijke systemen hoeven overigens niet te gaan om aaneengesloten gebieden; eenzelfde historisch patroon (bijvoorbeeld tuindorpen) kan op meerdere plekken voorkomen. Hieronder een uitleg van de belangrijkste begrippen.

• Ruimtelijke systemen:

1  Het stedelijk ruimtelijk systeem: gebied met een samenhangend stelsel van kenmerken op het vlak van onder meer stratenpatroon, bebouwingsdichtheid, de verhouding openbaar-privé, de vorm van het bouwblok, rooilijnen, hoogte, hiërarchie en typologie van de bebouwing. In Amsterdam worden nu negen stedelijke ruimtelijke systemen (of woonmilieus) uit verschillende historische periodes onderscheiden: de binnenstad, oude dorpskernen in verstedelijkt gebied, de negentiende-eeuwse ring, de Gordel ’20-’40, de tuindorpen, het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP), de post-AUP-gebieden, woonerven (1970-1985) en woongebieden van na 1985. Per ruimtelijk systeem zijn de kenmerken tamelijk eenduidig te herkennen en omschrijven. Daaraan kunnen dan ook heldere beoordelings- en toetsingscriteria ontleend worden voor vrijwel alle ontwerpaspecten, van groot onderhoud tot verbouw en nieuwbouw. De negen ruimtelijke systemen beslaan het grootste deel van het Amsterdamse grondgebied en omvatten ook het overgrote deel van de woningvoorraad.

2  Gesuperponeerde systemen: nieuwe ruimtelijke systemen die over een oud patroon zijn gelegd. De Parijse boulevards van Hausmann zijn het beroemdste voorbeeld: daarmee werd een radicale breuk geforceerd met het onderliggende middeleeuwse stratenpatroon, dat slechts zeer gedeeltelijk werd opgenomen. Amsterdam kent slechts enkele relatief jonge superposities, waarbij vrijwel altijd verkeersmaatregelen aan de orde waren. Zoals de Raadhuisstraat, de Weesperstraat en de Ring West.

3  Kantoren- en bedrijfsterreinen: gebieden met een monofunctioneel karakter (er wordt alleen gewerkt), een wijdmazige infrastructuur en in het algemeen weinig samenhang in de architectonische vormgeving. De gebieden missen de kenmerkende complexiteit van de stedelijke ruimtelijke systemen.

4  Perifere groengebieden: niet-verstedelijkte gebieden aan de randen van de stad. Soms hebben perifere groengebieden een parkachtig karakter zoals het Amsterdamse Bos en het recreatiegebied Spaarnwoude, maar ook het Amstelgebied en Waterland worden ertoe gerekend.

• Stedelijke scharnierpunten: dynamische overgangsgebieden waar verschillende ruimtelijke systemen elkaar raken en deels overlappen. Bijvoorbeeld het Muntplein, waar het ruimtelijk systeem van de Amstel samenkomt met de ellips van de middeleeuwse stad en de ring van de grachtengordel. Hoewel een duidelijke eigen vorm ontbreekt, is toch sprake van een onmiskenbaar baken in de stad, met een grote betekenis voor het stadsbeeld en de belevingswaarde daarvan. Het Leidse Bosje en de Haarlemmerpoort zijn andere voorbeelden.

• Gebieden in (verhevigde) ontwikkeling: gebieden met een stedelijke dynamiek die niet geremd wordt door een uitgekristalliseerd stedenbouwkundig plan. Bijvoorbeeld doordat infrastructurele ontwikkelingen sneller gingen dan de stedenbouwkundige visievorming. In zulke gevallen ontbreekt een duidelijk beoordelingskader, hoewel het soms om beeldbepalende posities in de stad gaat. Tot de verbeelding sprekende voorbeelden zijn gebieden langs de Ring van Amsterdam, zoals de Zuidas.

• Geografische gebiedseenheden: gebieden met een zozeer eigen historische ontwikkeling dat de ruimtelijke opbouw zich onderscheidt van het gangbare stedelijke patroon, maar zonder dat sprake is van een sterke architectonische eenheid. Het betreft vaak een conglomeraat van kleine, in zichzelf samenhangende subsystemen. Zoals Amsterdam-Noord, dat lang een overwegend landelijk gebied is gebleven. Nu is het nog steeds een optelsom van vele mini-buurtjes, elk met een eigen consistentie, gescheiden door groene elementen. Er zijn lineaire dijkdorpen, er zijn voorbeeldige tuindorpen, er zijn heuse tuinsteden en er zijn bijzondere experimenten van oudere en jongere datum, zoals de Molenwijk, het Plan Van Gool en het NDSM-terrein. Recente ontwikkelingen zoals Overhoeks en het CAN-centrumgebied passen in dit beeld van een sterk gedifferentieerd mozaïek, binnen een landschappelijke samenhang. Andere voorbeelden van geografische gebiedseenheden zijn de Watergraafsmeer en Amsterdam-Zuidoost.
[einde kader]