Marinus Oostenbrink Adviezen Stedenbouw Architectuur JANUARI 2016

Schilderkunst wordt architectuur

INTERGRALE KUNST VAN TON FRENKEN

ARCHITECTUUR EN BOUWKUNST

De meest bekende en gehanteerde (taalkundige) definitie van architectuur als synoniem van bouwkunst heeft betrekking op “de (hoofdtak van) kunst en de leer van het ontwerpen en uitvoeren van bouwwerken”. Historisch gezien werd en wordt daarbij vaak ook het onderscheid met de “burgerlijke bouwkunde” benadrukt , als de “wetenschap om bouwwerken samen te stellen”. Waarmee de klassieke en nog steeds bestaande tegenstelling tussen de meer artistieke en meer technische aspecten van architectuur aan de orde is.
Toch liggen aan deze schijnbare tweedeling vaak dezelfde principes en beginselen ten grondslag die in veel klassieke architectuurboeken beschreven, getypeerd en gedefiniëerd zijn. Het meest bekend en geciteerd in dit verband zijn de tien boeken over de architectuur (De Architectura Decem Libri) van de romeinse bouwmeester Vitruvius. Daarin worden gedetailleerde beschrijvingen gegeven van een groot aantal universele begrippen en uitgangspunten in de griekse en romeinse architectuur. De begrippen “ordonnantie en dispositie” spelen daarin een belangrijke rol, evenals “symmetrie en eurithmie”.

DISPOSITIE EN ORDONNATIE

Een aantal van deze begrippen en invalshoeken is in het werk van Ton Frenken bepalend voor het architectonisch karakter ervan. Daarom wordt hieronder iets dieper ingegaan op de betekenis ervan en op de thematische samenhang tussen het schilderij en de architectuur bij Frenken. De vitruviaanse begrippen dispositie en ordonnantie zijn waarschijnlijk ook sleutels tot veel van Frenkens geschilderde composities.
“Dispositie is de geschikte onderlinge plaatsing (der dingen) en de oordeelkundige uitvoering (van het werk) krachtens samenvoeging van maten”. Hiermee is dus in wezen het karakter en de hoofdopzet van gebouwen aan de orde, maar kan daarmee ook van toepassing zijn op de kwalitatieve compositie van vlakken en volumes. Daarbij gaat het om het samenspel van maatvoering, het maatstelsel dat bepalend is voor het grote geheel evengoed als voor elk onderdeel daarvan.
“De ordonnantie is het evenwichtig samengaan van de maten der geledingen (van een gebouw) in ieder deel afzonderlijk en bovendien de betrekking tussen alle verhoudingen met het oog op de symmetrie”. Dispositie en ordonnantie zijn dus nauw met elkaar verbonden: dispositie vertegenwoordigt daarbij de inhoudelijke kwaliteit, terwijl de ordonnantie de nauwkeurige materiële uitvoering representeert. In de beschouwingen van Vitruvius zijn deze beide onverbrekelijk verbonden. De overkoepelende begrippen symmetrie en eurithmie zijn daarbij bepalend voor het oordeel over “de juiste, harmonische maatverhoudingen van alle delen zelf en in onderlinge relatie tot elkaar”.
 
DELFTSCHE EN BOSSCHE SCHOOL

De revitalisering van de Vitruviaanse principes is vooral een zaak geweest van groepen architecten in de tweede helft 20e eeuw, verzameld rond mensen als Granpré Moliére en Dom Hans van der Laan. Deze hebben een grote invloed gehad in de praktijk van de naoorlogse wederopbouw-periode in Nederland, waardoor ten onrechte een verbitterde belangen- en richtingenstrijd ontstond traditionalisten en modernisten.
Maar tegelijkertijd werden belangrijke theoretische grondslagen toegevoegd aan de architectonische ontwerp-praktijk, door middel van leerkringen, publikaties en hulpmiddelen zoals de “staafjes-abacus” en de “morfotheek”. Dit waren kistjes met kleine staafjes en plankjes, waarmee de ideale proporties van “het plastisch getal” werden geillustreerd. Daarbij ging het niet primair om een ontwerp-instrumentarium, maar vooral om het verbeelden en waarnemen van de proportionele verhoudingen en verscheidenheid in de natuur, als inzicht in de eurythmie.

PROPORTIE EN HARMONIE

Het Plastisch Getal ofwel Le Nombre Plastique zoals ontwikkeld door Hans van der Laan is te omschrijven als een stelsel van maatverhoudingen om ruimtelijke uitgebreidheid te ordenen, enigszins vergelijkbaar met de systematiek van notenbalken en muzieknoten. Het biedt daarmee, letterlijk en figuurlijk, een maatstaf om in een reeks van ruimtelijke maten verschillen in grootte en onderlinge verhouding te onderscheiden. In aansluiting op Vitruvius koos Van der Laan voor de muurdikte als kleinste (bouw-)eenheid. Alle overige maten en verhoudingen zijn daarvan afgeleid. Voor de het platte vlak werd gekozen voor de Gulden Snede , een verhouding van ca 0,618, afgeleid van de proportionele vergelijkbaarheid of grondverhouding van (kleinste) deel en (grootste) geheel. De verfijnde en driedimensionale uitwerking daarvan heeft geleid tot een doorlopende reeks van lager en hoger gelegen orden van grootte.

BETEKENING VAN DE RUIMTE

In veel schilderijen van Ton Frenken is de visuele echo van het plastisch getal duidelijk zichtbaar, hoorbaar en zeker voelbaar. Ongetwijfeld heeft hij daarbij de invloed ondergaan van toenmalige architecten uit zijn omgeving, die de principes van de Bossche School aanhingen en ook toepasten, zoals Mens en Pruyn, Van Hooff, Tom Senders, Pieter Buys. Niet toevallig zijn dan ook in gebouwen van deze architecten monumentale schilderwerken geplaatst, die vanuit eenzelfde integraal en door het plastisch getal beheerst concept zijn ontwikkeld.

Maar ook in autonome schilderijen en tekeningen is Le Nombre Plastique steeds aanwezig, als een ervaarbare verhouding tussen het kleine en het grote in wisselende verhoudingen. Daarbij gaat het niet primair om controleerbare en wiskundige maatvoering of direct herkenbare en letterlijke of getalsmatige proporties, zoals die van de gulden snede. Maar veel meer gaat het om het opgebouwde en voelbare spanningsveld, waarin ook kleurgebruik, penseel- en lijnvoering binnen compositie en vlakverdeling hun precieze plaatsbepaling hebben. Goede voorbeelden zijn de grote en kleine doeken het zonnelied van franciscus (1993), en gouden spiegel (1994) waarin de kleine zwart-wit- blokken als kader sterk contrasteren met grote en omsloten, zinderende lichtvelden. Maar ook de tweeluiken intimiteit (1999-2001) en tussen akkoorden (1995) tonen hoe de kleine vlakken genuanceerd verweven zijn met het grote geheel, terwijl de verlopende kleurbanen een dynamische verbinding leggen tussen binnen- en buitenwereld.

KLEINE EN GROTE SCHAAL

Ook in veel tekenbladen is dezelfde fenomenen van proporties, contrasten en nunaces aanwezig, maar op een veel kleinere schaal. Want in de tekeningen is niet de kwast of verfstreek maatgevend, maar vormt de lijndikte van het potlood de kleinste eenheid waarmee het grote geheel van de integrale compositie is opgebouwd. Soms als een soort “weefsels’’ of “tapijten”, zoals in zwarte vloer (1996) en raam met kruis (1997). Maar soms ook in monumentale schetsontwerpen en schema's, zoals die voor de wand van het Waterschapsgebouw in Boxtel (1995), waarin de diepste essenties van de binomen klein-groot, licht-donker, smal-breed, hoog-laag al volledig aanwezig zijn.
In al deze aangehaalde en andere voorbeelden zijn de Vitruviaanse architectuur-principes van dispositie en ordonnantie compleet aanwezig. De muurdikte als kleinste maat-eenheid is hier echter vervangen door de breedte van de verfkwast dan wel de dikte van de potloodlijnen. Tegelijkertijd zijn de nuances van kleurgebruik en de hardheid of zachtheid van het koolstofpotlood wezenlijk voor het verfijnen en nuanceren van overgangen. Daardoor is er altijd sprake van lichtheid en dynamiek, van beweging door vlak en ruimte, maar vooral ook van een overbrugbare en begrijpelijke bandbreedte tussen de intieme en de kosmische ruimte, tussen het aardse nabije en een hemelse verte. En misschien ook tussen het kleine, vertrouwde individuele (van de kunstenaar) en de grote, bedreigende gemeenschap?

SCHILDERKUNST WORDT ARCHITECTUUR

Op veel doeken van Ton Frenken zijn architectuur-vormen en -elementen letterlijke en thematische onderwerpen. Eerder werd al verwezen naar de veelzeggende namen en titels van een groot aantal doeken. Het is ook niet ondenkbaar dat een aantal van deze werken onbedoeld autonome studies zijn geweest voor de vroege of latere “architectuur-installaties. In dit verband kunnen enkele betekenisvolle series worden aangewezen, zoals het grote vierluik (180x240 cm) toegang in blauw (1999), waarbij het schilderij zelf al bijna een “porte brisée” genoemd kan worden. Een letterlijke doorgang die zo als architectonische scheidingswand tussen twee kamers geplaatst zou kunnen worden.

Maar ook de serie présence I-II-III-IV-V (1999) (5x90x80 cm) kan beschouwd worden als een ruimtelijke installatie, met een duidelijke dispositie en verschuivende ordonnantie van licht en donker. Daarbij vormt présence V een dubbelzinnige apotheose: is het ruimtelijke bevrijding of opsluiting?

In deze werken wordt feitelijk architectuur gemaakt met schilderkunst: de doeken, de compositie, de dispositie en ordonnantie daarvan zijn plaatsbepalend en daarmee ruimtevormend. Zij zijn bevrijdend en angstaanjagend tegelijk, omdat er vanuit de beperklingen van het platte vlak nieuwe openingen en onbekende perspektieven worden geopend. Daarmee vertegenwoordigen zij zowel de onmetelijke, kosmische ruimte, als ook de benauwende en beperkende plaatsbepaling daarbinnen. Deze schilderijen vormen ook een “promenade architecturale”, of “rite de passage”, bepalend voor het evenwicht tussen aarde en kosmos, als menselijke conditie.en daarmee voor de bezinning op leven en dood.

SCHILDERKUNST ALS RUIMTELIJK OBJECT

Ton Frenken heeft in de periode 1988-1995 een aantal kleine en grote en monumentale schilderwerken gerealiseerd welke direct te maken hebben met zijn fascinatie voor ruimtelijke en architectonische thema's. Enkele daarvan worden hieronder beschreven en gedocumenteerd als “architectuur-installaties”, oa de brabantse kantoren voor ING, OCE en Waterschap. Door nauwe samenwerking en verwantschappen met de desbetreffende architecten, is er overtuigend sprake van integrale, ruimtelijke projecten, waarin de grens tussen de ruimtelijkheid van architectuur en schilderkunst is overwonnen.
Daarbij is zowel de autonomie als de wederkerigheid van beide kunstvormen aan de orde. De vaak grote doeken en panelen zijn in zekere zin “ruimte-vormend” en kunnen als monumentale en zelfstandige kunstwerken worden beschouwd. Tegelijkertijd wordt door trefzekere plaatsing en compositie en een innige relatie aangegaan met de ruimtelijke context van het gebouw. Daardoor ontstaat een overtuigende en transcendente meerwaarde die de architectuur naar een hoger niveau optilt en waardoor ook een andere dimensie en een nieuw perspektief in tijd en ruimte geopend wordt.

Vergelijkingen of paralellen met historische voorbeelden zijn altijd verwarrend en hachelijk. Toch zijn (geheel los van verschillen in compositie, stijl en techniek) verwijzingen naar Michelangelo (Sixtijnse Kapel), Van Doesburg (Aubette) en Rothko (Seagram en Chapel) niet geheel uit de lucht gegrepen. De overeenkomsten zijn vooral “conceptueel”: door middel van schilderkunst wordt de architectonische ruimte gesublimeerd en worden nieuwe, immaterële en kosmische dimensies toegevoegd aan de platvoerse werkelijkheid van de banale gebouwde omgeving. Daardoor wordt niet alleen de waarneming beinvloed, maar wordt ook de belevingswaarde op een ander en hoger niveau gebracht. Maar vooral ook worden de disciplinaire grenzen tussen architectuur en schilderkunst doorbroken. Helaas zijn de meeste van deze architectuur-installaties ontmanteld en zijn onderdelen daarvan opgeslagen of opgenomen in particuliere collecties. Toch vertegenwoordigen zij ook een wezenlijke en klassieke kwaliteit en focus in het werk van Ton Frenken: de schilderkunst als sublieme architectuur.

Tuin kantoor ING Kerkstraat Den Bosch (1993)

Het tuinontwerp van Pieter Buys uit 1993 is een bescheiden maar fijnzinnig voorbeeld van een geintegreerd concept, met een gelijkwaardige positie voor tuin-inrichting en beeldende kunst. De hoge tuinmuren vormen een omsloten stads-enclave, waaruit geen ontsnapping mogelijk lijkt. Op drie muren zijn door Ton Frenken, in nauwe samenwerking met medewerker en beeldend kunstenaar Toon Laurense, totaal negen grote panelen met cirkelmotieven geplaatst in geel, wit en grijs. De panelen zijn tot twee-, drie- en vierluiken samengevoegd, waarmee de gebroken kwart-cirkel tot een ervaarbare eenheid wordt gebracht. In die zin kan de ruimtelijke kwaliteit “helend” worden genoemd: de ongevormde kosmische ruimte wordt getransformeerd tot gevormde menselijke verblijfsruimte. Groot en klein worden verbonden: de wereld wordt licht en bewoonbaar gemaakt.

Kerkzaal De Baai in Etten Leur (1991)

Het geschilderde tweeluik tegen de altaarwand van kerkgebouw De Baai diende als bevordering van het mediterend beschouwen en ter versterking van de concentratie op het centrum van de kerkruimte. Gekozen werd voor twee grote schilderijen (afmeting 201 x260 cm) waarin de thema's van de kerkgemeenschap “samen op weg” en “gezamenlijk opgaan in” abstract en symbolisch wordt verbeeld. De gefragmenteerde en vervlochten cirkelmotieven met verschuiving van lichte naar donkere kleuren geven uitdrukking aan een “rite de passage” van klein naar groot, van eenzaam naar gezamenlijk en van duisternis naar verlichting. Het is een sterk religieus embleem dat ook architectonisch een krachtig ruimtelijk signaal afgeeft.

Kantoorgebouw Océ Den Bosch (1988)

Voor het nieuwe kantoorgebouw van Océ werd in 1988 een brede opdracht geformuleerd voor een reeks van te integreren beeldende kunstwerken. Daarbij waren zowel de overdekte binnentuin aan de orde, als de aanliggende galerijen op drie verdiepingen. In het uitgevoerde voorstel van Ton Frenken heeft de binnenhof als wintertuin een centrale betekenis gekregen door een bijzonder vloersculptuur. Deze liggende, maar asymmetrisch geplaatste witte marmerplaat heeft cirkelvormig bas-reliëf, gevuld met okergele stuifmeelkorrels, afgedekt door een glasplaat. Hiermee wordt verwezen naar de geschiedenis van de plek als vruchtbare weidegrond. In relatie tot dit motief zijn op de omringende galerijen twaalf geschilderde panelen geplaatst, waarop hetzelfde cirkelmotief, maar met verschillend georienteerde, warme en koude kleuren. Ook andere schilderijen (o.a. in het trappenhuis) zijn sterk afgestemd op de ruimtelijke, licht-donker verhoudingen van de architectuur als geheel. Alle kunstwerken tesamen vormen een ruimtelijk geintegreerd ensemble, waarin de schilderkunst een sculpturale werking krijgt, gelijkwaardig aan en interactief met de architectuur als geheel.

Waterschapshuis Boxtel (1995)

Voor dit nieuwe gebouw uit 1995 werd door Ton Frenken een reeks van verticale olieverf-panelen gerealiseerd, waarvan werking en afmetingen met recht groots genoemd kunnen worden met een lengte van 15 meter bij een hoogte van 3,5 meter. Deze panelen vorm(d)en de belangrijkste wand van de ruimte voor de “Vergadering van Hoofdingelanden”. Plaatsing, dimensionering, compositie en kleurstelling zijn zodanig, dat daarmee alle ruimtelijke kenmerken van deze vergaderruimte beïnvloed en gevormd worden. De plaatsing (dispositie) is bepalend voor de entree tot de zaal en de belevingswaarde daarvan, terwijl de hoogte-breedte-verhoudingen van de panelen de dubbele hoogte van de ruimte als geheel versterken. Door kleurstelling en compositie (ordonnantie) wordt de grote cirkelvormige vergader-opstelling ruimtelijk verwijd, en wordt het hoge daglicht van boven naar beneden geleid. Het concept is basaal en elementair, terwijl de effectiviteit vanzelfsprekend en bijna organisch genoemd kan worden: het relatief banale interieur wordt door de geschilderde panelen “gesublimeerd” en verheven tot een hogere orde. Zelf zegt Ton Frenken zich te hebben laten inspireren door Monet's beroemde Waterlelies van het Noorden, grote doeken waarin vooral water, kleur en licht een centraal en bijna abstract thema vormen, welke dan ook als belangrijkste en associatieve overeenkomsten gezien kunnen worden.

Het is opmerkelijk dat de veelzijdigheid van Ton Frenken als mens en als kunstenaar ook geleid heeft tot een reeks van expliciete, architectonische interventies. Daarmee heeft hij de beperkingen van de klassieke tweedimensionale schilderkunst effectief doorbroken.  Deze ruimtelijke resultaten en kwaliteiten komen en kwamen rechtstreeks voort uit zijn picturale ambachtelijkheid, waarin de aandacht voor alle dimensies van ruimte en tijd al vroeg besloten lag. Daarmee verdient Ton Frenken een plaats tussen de grote namen van universele kunstenaars.