Marinus Oostenbrink Adviezen Stedenbouw Architectuur JANUARI 2016

Van wie is de stad

NRC ACADEMIE WETENSCHAPPEN essay Marinus Oostenbrink / Fred Schoen dd 14 juni 2012

“Het vergelijken van Herodotus met de ochtendkrant volstaat om de essentie van de geschiedenis te vatten." SCHOPENHAUER

De vraag stellen is haar beantwoorden: velen zijn ons daarbij voorgegaan. Iedere stedeling, iedere reiziger en iedere schrijver, zoals Italo Calvino en Cees Nooteboom,  heeft een veelheid van eigen, onzichtbare steden in het hoofd. Daarbij past een schier eindeloze reeks van definities, kenmerken, beschrijvingen, beelden, herinneringen, gedichten, gedragingen en documenten.  De erudiete cultuurhistoricus Donald Olsen onderzoekt en documenteert   de stad niet alleen “als monument en als huis”, maar ook “als stad van luxe en als oord van plezier”.  Méér  dan het bezit, de eigendom of het auteurschap van de stad zijn daarmee de gebruiks- en de belevingswaarden van de stad aan de orde. Architectuur, sociale geschiedenis en stadsgeografie zijn bepalend voor de verschillen tussen stedelijke  en maatschappijvormen in hun houding ten opzichte van vreemdelingen, familie, privacy, ruimte en uiterlijk vertoon.     

“Wij kunnen steden beschouwen als complexe maar ontcijferbare documenten, die ons iets kunnen vertellen over de waarden aspiraties van hun bestuurders, ontwerpers, bouwers, eigenaars en bewoners.” DONALD OLSEN: de stad als kunstwerk 1986.

VAN WIE IS DE STAD?

De oorsprong van stad en dorp, van stedenbouw en architectuur ligt in de plaats- en grondgebonden vestiging van nomadische zwervers. Binnen een bedreigende, onoverzichtelijke, kosmische ruimte bouwt de nomade op rituele wijze zijn hut, als herkenbaar baken. Oudere en dikwijls zogenaamd primitieve en magische  culturen kenden nog geen scheiding tussen “heilig” en “profaan”, omdat het profane was ingebed in het heilige. De beschutting van hut, huis, haard en tempel is tegelijkertijd het altaar waarop aan goden wordt geofferd in omsloten en stedelijke ruimtes die de wereld overzichtelijk, beheersbaar en veilig maken. Het is de verovering, de toe-eigening en de usurpatie die leidden tot bezit en eigendom, tot stadstaten als machtscentra. Daarvan kon ooit met recht gesteld worden dat zij toebehoorden aan zelfbenoemde machthebbers en bezitters van de profane steden in de breuken van een ontheiligde kosmos.  

“Voor de (religieuze) mens is de ruimte niet homogeen: hij vertoont scheuren en breuken. Er zijn ruimte-delen die kwalitatief verschillen van andere. Er is een gewijde en daarom sterke, veelbetekenende ruimte. Er zijn andere ruimten, die niet-gewijd, en bijgevolg over het geheel zonder ordening en samenhang, amorf zijn.” MIRCEA ELIADE: het heilige en het profane 1957.

VAN WIE IS DE STAD?

“The really striking point is that many of the early Planning Movement stemmed from the anarchistic movement, which florishes in the last decades of the 19th century and the first years of the 20th. That is true of Howard, of Geddes. To be sure it was very untrue of Le Corbusier, who was an authoritarian centralist, and of most members of the City Beautiful Movement, who were very faithful servants of finance capitalism or totalitarian dictators . PETER HALL: cities of tomorrow 1988.

De sociale orde van de samenleving gaat hoe dan ook vooraf aan het ruimtelijk ontwerp van de structurele orde van de fysieke stad. Maar daarmee vallen deze niet per definitie samen in één sluitende mal. Sociale fricties en tegenstellingen zijn vrijwel altijd zichtbaar, herkenbaar en afleesbaar in de vormgeving van openbare ruimte en architectuur. Daarmee is elke stad de spiegel van haar historische ontwikkeling, als een historische roman en belichaming van geschiedenis. Zelfs wanneer er sprake lijkt van een ontworpen ruimtelijke samenhang en homogeniteit op hoog schaalniveau, dan blijven niettemin de sociale  meervoudigheid, de maatschappelijke differentiatie en de culturele verscheidenheid doorslaggevende en veranderlijke stedelijke kenmerken. 

“De ruimtelijke orde van de stad is ook een sociale orde. Dat die orde ooit consistent was, in de zin van enkelvoudig, stabiel en permanent is een moeilijk houdbare stelling. De ruimtelijke orde evolueert in de richting van vloeibaarheid en tweepoligheid. De facades waarmee de stad gezicht krijgt zijn net zo vluchtig aan het worden als een decor. Terwijl de stedelijke identiteit steeds minder binding heeft met de concrete historische sequentie van een bepaalde plek. “ BERNHARD COLENBRANDER: de verstrooide stad 1999.

VAN WIE IS DE STAD?

Het heden, het verleden en de toekomst van de vloeibare stad zijn onvermijdelijk en onverbrekelijk met elkaar verbonden. Voor een deel is dat te danken aan de soms eeuwenoude stenen of houten facades, die gezichtsbepalend zijn en vele generaties kunnen overspannen. Maar de actualiteit van de stad wordt vooral bepaald door de opeenstapeling van herinneringen, verwachtingen en gevoelens van haar bewoners en gebruikers. Daarmee is het werkelijke heden van de hedendaagse stad gedefinieerd als een immaterieel eigendom van velen en niet als een materieel bezit van enkelen. Tegelijkertijd is daarbij de persoonlijke belevingswaarde van het eigen domein als een ritueel territorium maatgevend. Vanuit  deze kleine, individuele micro-kosmos wordt de grote wereld ervaren en beoordeeld als een verkleind, museaal universum met persoonlijke eeuwigheidswaarde.  

“Het Istanbul van mijn jeugd heb ik beleefd als zwart-wit-foto’s, als een tweekleurige, halfduistere, loodgrijze plek: en dat is ook hoe ik mij de stad herinner. Dat komt deels doordat ik gek ben op interieurs, ondanks het feit dat ik ben opgegroeid in het halfduister van een museumhuis.” ORHAN PAMUK: istanbul herinneringen en de stad 2003.

VAN WIE IS DE STAD?

Zoveel hoofden, zoveel steden: dé stad bestaat niet, evenmin als een sluitende definitie daarvan.  Misschien dat op een hoog abstractieniveau het basisconcept van  het begrip “een stad” kan worden omschreven. Maar daarmee is de subjectieve belevingswaarde nog niet tot een geobjectiveerde standaard verheven. Eerder al werd aangegeven dat niet alleen elke dichter maar ook elke stedeling een eigen emotionele stad in hart, hoofd en ziel met zich meedraagt, waarmee de profane breuk in de gewijde kosmische ruimte kan worden geheeld. Maar de immer uitdijende stad maakt het steeds moeilijker om het fenomeen stad een overzichtelijke plaats te geven op de “mentale kaart” van de mens. De historische stad als een compact ensemble wordt verdrongen door stedelijke gebieden die nog nauwelijks als samenhangende stad ervaarbaar zijn. Ruimtelijke en fysieke grenzen vallen weg. In plaats daarvan is er sprake van een ongebreidelde schaalvergroting van stedelijke weefsels, in de vorm van onsamenhangende deelgebieden, clusters, bedrijfsgebouwen, snelwegen en landschapsfragmenten. Dé stad maakt plaats voor ’n stad, als amorfe lappendeken zonder betekenis of identiteit. Tegelijk staat de vormgeving van deze nieuwe stedelijke kosmos nog in de kinderschoenen, mede omdat de culturele posities van eigendom, zeggenschap en auteurschap verregaand verloren en versnipperd zijn geraakt.
      
“De vrije stad Nederland, met de telgen van het Huis Oranje in het erfelijke ambt van burgemeester en met Amsterdam als een soort Holland-Centrum, dat zou de meest reële en meest gepaste status zijn: misschien komt het er nog eens van in de Unie van Europese Republieken. Als Nederland zich eindelijk eens als stadsgewest zou herkennen, werd het misschien ook wat zuiniger op de weinige parken en stadstuinen die nog resten: de groene zones langs de noord-oost-zuidelijke rand die de nationale bebouwde kom scheiden van de stedelijke gebieden van het Rijn-Roergebied en de Brusselse agglomeratie. Zoals in het westen de Noordzee de scheiding vormt met de Londense metropolitane zône.” ABRAM DE SWAAN: perron nederland 1991.

VAN WIE IS DE STAD?

Zowel in woordenboeken als in filosofische en  stedenbouwkundige handboeken zijn tientallen definities van het begrip “stad” te vinden. Zowel het abstracte begrip als de ruimtelijke contramal daarvan hebben in de loop der eeuwen vele gedaanteveranderingen ondergaan. Van de verouderde betekenis als “stede, plaats, woonplaats”  is nog maar weinig overgebleven. Ook de historische tegenstelling tot platteland en dorp heeft afgedaan, waar deze feitelijk geheel in het stedelijk lichaam zijn opgenomen. Zelfs het begrip “open stad”  heeft zijn oorspronkelijke betekenis als “staande buiten de gevechtshandelingen”  verloren. In plaats daarvan wordt de moderne stad vooral gezien als een reeks “stedelijke feiten” , gegroepeerd binnen ruimtelijke systemen met uiteenlopende kenmerken: een mozaïek van fragmenten, elk met een eigen consistentie. Binnen een hiërarchie van openbare ruimtes is er sprake van een veelheid van architectonische feiten in de tijd. Vorm, positie, kwaliteit en waardering daarvan is veelvuldig onderwerp van politiek, maatschappelijk en inhoudelijk debat, zonder dat objectivering daarvan tot overeenstemming leidt.     

“Nieuwbouw staat doorgaans gelijk aan ontheiliging, aan de creatie van buurten die minder mooi zijn dan het landschap waarvoor ze in de plaats komen. Wanneer we niet in details treden of al te stellig proberen te zijn, kunnen we het gemakkelijk eens worden over hoe een mooie door de mens gemaakte plek eruitziet. Pogingen om s’werelds fraaiste steden te inventariseren, leveren meestal dezelfde vertrouwde namen op: Edinburgh, Parijs, Rome, San Francisco. Soms worden Siena of Sydney geopperd. Mogelijk breekt iemand een lans voor Sint Petersburg of Salamanca.” ALAIN DE BOTTON: de architectuur van het geluk 2006. 

VAN WIE IS DE STAD?

De relatieve radeloosheid en het gebrek aan overeenstemming over de betekenis en de definities van het begrip “stad” heeft alles te maken met de aantoonbare onbestuurbaarheid en stuurloosheid van de stad. Een eenduidige opvatting over stad en stedelijke cultuur ontbreekt. Als de stad al een probleem kan worden genoemd dan ontbreekt in ieder geval een “probleem-eigenaar”. Daarmee ontbreekt eveneens een eigenaar, een bezitter, een auteur, dit ondanks een groeiend aantal stadsdichters. De stad is van iedereen en daarmee van niemand.

“De stad als kunstwerk? Beslist niet. De stad als woestenij, misschien, of als slagveld, of als jungle. De stad als manifestatie van alles wat rot is in de maatschappij, een etterende wond in het staatsbestel, een voorportaal van de hel waarin brute krachten de zwakken vetrtrappen, waar corruptie gedijt op onwetendheid, vraatzucht spot met honger en onbeschermde deugdzaamheid zwicht voor voor triomferende verdorvenheid.  Van Juvenalis tot Cobbett, van Augustinus tot Jefferson hebben dichters en moralisten, publicisten en filosofen scheldkanonnades tegen de stad gericht. Met een wat bedachtzamer taalgebruik benadert de moderne wetenschapper de verstedelijking zoals een patholoog het verloop van een ziekte bestudeert.” DONALD OLSEN: de stad als kunstwerk 1986.

DE STAD ALS VERLOREN VOORWERP

Van wie is de stad nou eigenlijk? Heeft iemand de stad verloren? Is iemand de stad kwijt? En wie is degene die de stad kwijt is, en wie is degene die hem heeft gevonden? Waarom houdt-ie hem niet voor zichzelf? Is hij wel een eerlijke vinder of kan hij niks met de stad en wil hem eigenlijk het liefst zo spoedig mogelijk kwijt? Allemaal wedervragen die net zo academisch zijn als de vraag zelf. Om niet te zeggen allemaal onmogelijke vragen met onmogelijke antwoorden, en daarom behorend tot de categorie echte vragen, zoals vragen naar bijvoorbeeld de grenzen van het heelal of van wie is het heelal? Alle andere vragen zijn pseudo-vragen voortkomend uit onwetendheid, niets mis mee overigens, al vragend leert men. Van wie is de stad? Geen idee dus, en moet ik het willen weten? Het antwoord zou belemmerend kunnen zijn voor ontplooiing van de ware geestelijke levensbron: de verwondering over het raadsel van de schepping, met de stad als één groot observatorium, ten alle tijden vrij te gebruiken, Herrschaftfrei.